Scoba - Waarde(n)vol onderwijs

Sint Bavo is onderdeel van de Scoba Groep

Scoba

1580 - 1800

Van de Reformatie tot de Franse tijd (ong. 1800)

Reformatie

Voor 1580 was de invloed van de katholieke kerk op het onderwijs enorm groot, maar na die tijd verandert de situatie volledig. De gereformeerde kerk neemt de monopoliepositie over en het katholieke ("Paapse") geloof wordt geweerd. Ook Zeeland koos de zijde van de Reformatie.

Het onderwijs op de plattelandsschool

De plattelandsscholen waren nog steeds kleine bedompte vertrekjes, met gebrekkige banken en tafels. De onderwijzer zat in zijn katheder en riep de kinderen één voor één bij zich. Aan de wand hingen in sierlijk geschreven letters het Onze Vader, de Tien Geboden, de Geloofsartikelen en de schoolwetten. Het gebouw werd verwarmd door een open haard, die gestookt werd met hout en turf, vaak door de leerlingen zelf meegebracht.

De meesters werden soms erg zwaar belast, met soms wel honderd kinderen per leraar. In zo'n schoollokaal zal het een rumoerige boel geweest zijn: veel werd hardop uit het hoofd geleerd en vaak hielpen de ouderen de jongeren.

Lesmateriaal

De leer-en lesboeken waren grotendeels niet echt geschikt voor kinderen. Veel aandacht werd besteed aan het onderwijs van de Catechismus. Het "Haneboek" (waarin de Tien Geboden, de Catechismus, gebeden, etc) was gedurende tweehonderd jaar de belangrijkste lees-en leerstof.

De schoolmeester en zijn straffen......

De situatie voor de schoolmeester op het Zeeuwse platteland was niet zo gunstig: hun inkomsten waren gering, in tegenstelling tot op de particuliere scholen in de steden. Ze moesten hun salaris aanvullen met nevenbetrekkingen, zoals schoenlapper, chirurgijn, notaris, gerechtsbode. Het onderwijs zal hier zeker onder geleden hebben !  Een onderwijzer werd veelal aangesteld door de kerkeraad, doorgaans werd iemand aangenomen die flink zijn best deed bij het kerkgezang, en een mooi handschrift had. Meer eisen werden er vaak niet gesteld op het platteland.
Schoolmeesters hadden het zwaar te verduren en moesten vaak hun toevlucht nemen tot (lijf)straffen. Hier links is een lessenaar te zien uit die tijd, met alles erop en eraan. Aan de zijkant het ezelsbord, wat je om je nek kreeg als je je les niet kende. Aan de stoel de roe, waarmee jongens op hun ontblote rug geslagen werden, op de klep van de lessenaar de plak en de ongeluksvogel, die naar een ondeugd toe gegooid werd. De stouterik moest de vogel dan terugbrengen om meteen zijn straf te ondergaan: een tik met de plak op de hand of een tuchtiging met de roede. Dat was niet zo leuk allemaal, maar aan de andere kant: extra huiswerk was er niet bij, en strafwerk ook niet, de meeste kinderen konden niet eens schrijven. Wel werden bij ernstige vergrijpen de kinderen van school gestuurd. Zo weten we van de latere admiraal Michiel de Ruyter dat hij van alle scholen in Vlissingen afgestuurd is. Hij moet het dus wel erg bont gemaakt hebben, want zo snel deed een schoolmeester dat niet.

Hieronder zien we iemand met het ezelsbord om (uit het schoolmuseum). Hier stond een ezel op, of de tekst "domoor" of "kwaad-doener". Een kind moest hier dan een hele dag mee blijven lopen. 

De meesters hadden vrijheid om de straf zelf te bepalen, maar ze moesten daarbij niet te ver gaan.  Men dient streng maar tevens vaderlijk te zijn. Als kinderen pas op school zijn dienen ze zacht behandeld te worden. Maak eerst maar wat grapjes, zie wat door de vingers en begin na een paar maanden pas met "sachte hantplaxkens"  en "propere graauwen". Een pak op de broek en even goed huilen werd als zeer gezond gedacht. 

In extreme gevallen was er op school zelfs een "geselpaal", ook mocht men soms plaatsnemen op een kussen waaruit spelden met de scherpe punt naar boven staken, of liet men deugnieten in een zak uit het raam bengelen met een prop in de mond om te voorkomen dat men gestoord werd door het gekrijs van het slachtoffer.